Zwijgzaam zitten we tegenover elkaar. De spanning van het afgelopen gesprek is duidelijk voelbaar in de lucht. Het is alsof de statische ontlading die normaliter bij een onweersbui vrijkomt hier in de kamer zich heeft verzamelt en onze twee individuen onlosmakend met elkaar verbindt. We kijken elkaar aan en de wanhoop is in beider ogen te lezen alsof we op de rand van een klif staan die onder onze voeten afbrokkelt de diepte in. Ik kijk je aan in je ogen en probeer mezelf niet met een duizelingwekkende overgave te laten verdwalen in het blauw.
Ik draai mijn hoofd van je af en neem nog een haal van mijn sigaar terwijl ik ons gesprek probeer te relativeren. Maar het lijkt wel alsof ik als ik jouw woning betreed mijn relativiteit buiten laat staan. Van binnen hoor ik mijn hart breken als scherven die het geluk brengen aan een onbekend persoon. De pijn probeer ik te verbergen voor je want ik wil niet dat je je schuldig gaat voelen. Ik wil niet dat je ziet dat de woorden die je uitspreekt mij van binnen langzaamaan als een kanker opvreet waarvan ik niet kan genezen. De gevoelens van twijfel, geluk, wanhoop en vooral verdriet volgen elkaar rap op in mijn hoofd alsof ik in een maalstroom terecht ben gekomen waaruit stoerste knaap niet kan ontsnappen. Je zegt geen nee, je zegt geen ja. Je beaamt veel maar ontkent meteen ook zoveel. Je trekt me aan en je stoot me af als twee magneten waarvan de polen continue in beweging zijn. De twijfel die je hebt is gebaseerd op een verleden, en ik begrijp je zo goed dat je dat hebt. Ergens zou ik willen dat je mij zou kunnen begrijpen. Ergens wil ik heel graag dat je dingen in zou zien zoals ik ze in zie.
En ik weet zeker dat jij dat precies zo bij mij hebt. Wanhoop slaat weer op mijn neer, ik begraaf mijn gezicht in mijn handen en brand bijna mijn wenkbrauw aan mijn cigaar. Ik zucht diep en kijk weer naar je. Je zit duidelijk nogal ongemakkelijk in je badjas op de bank naast mij. Ik zie angst in je ogen tenminste dat denk ik. Het zou net zo goed dezelfde wanhoop kunnen zijn die duidelijk bij mij ook aanwezig is en die ik zo angstvallig probeer te verbergen. De stilte duurt voort terwijl we daar zo naar elkaar zitten te staren allebij ontwetend over wat er nu moet gebeuren. Ik neem de laatste haal van mijn cigaar en bemerk dat ik deze sneller opgerookt heb als jouw sigaret. “Het is zonde hoor om niet te roken” grap ik in een poging de spanning te doorklieven met humor.
Je zegt niets, zucht en neemt de laatste haal van je cigaret alvorens hem uit te drukken. Ik weet het niet herhaal je jezelf van ongeveer 5 minuten geleden. Weer kijk ik naar de tafel wachtend op wat komen gaat. De ijzige stilte die overheerst doet mijn ego nog verder verschrompelen totdat er bijna niets meer van mij over is. Ik wil weg, ik moet weg van hier van jou van dit huis van dit dorp van deze tijd Ik moet weg van alles wat ik doe, wat ik in de loop der jaren om mij heen verzameld heb aan vriendschappen en relaties. Ik moet wat doen, ik moet opstaan je gedag zeggen en zo snel mogelijk het huis uit gaan. Maar ik kan het niet. Het lukt mezelf niet eens om mijn benen te bewegen richting mijn schoenen.
En nu vraag je uiteindelijk. maar. Ik weet het niet zeg ik op mijn beurt, je bent te speciaal voor me. Ben jij niet bang dan vraagt ze, waarover ik even moet nadenken. Tuurlijk ben ik ergens ook bang, natuurlijk heb ik ook wel eens mijn bedenkingen bij alles. Maar er is ook zoveel wat het goed gaat maken zoveel waarvoor ik een hoop laat staan. Niet echt, zeg ik niets is zeker behalve dat je sterft. Je gaat verzitten op de bank en kijkt nog wanhopiger dan daarvoor. Het is duidelijk dat je worsteld met je gevoelens en met de gedachten die je misschien wel beangstigen. Ik wil op je inpraten, je manipuleren je vertellen hoe geweldig alles kan zijn. Hoe fantastisch het leven is en hoe grandioos het kan zijn maar ik weet ook dat dat nou net niet de bedoeling is dus ik laat de stilte overheersen. Het moet je eigen keus zijn, ik kan je misschien wel manipuleren maar als je niet achter de beslissing staat is de basis voor de toekomst doorzeeft met betonrot alvorens we kunnen gaan bouwen.
Van alles schiet er door mijn hoofd. Mooi woorden, gedichten en verhalen. Leuke grappen of anecdotes die allemaal mooi toegepast kunnen worden om ons het afgelopen moment te doen vergeten. Die ons uit dit vervelende onwetende impasse kunnen trekken maar geen komen er over mijn lippen naar buiten. Zullen we maar gaan slapen vraag ik. Wil je dat wel, wil je niet liever naar huis. En eigenlijk wil ik dat heel graag. Ik wil eigenlijk naar mijn eigen domein waar ik in alle rust hierover kan nadenken. Maar ik kan het niet. Je werkt als een magneet op mij en ik kan op dit moment niet bij je weg. Misschien omdat ik graag een positief antwoord wil horen, misschien omdat ik mijzelf wil verdedigen als het negatief uitpakt. Misschien wil ik wel gewoon een antwoord horen van je, maar ik weet dat je teveel twijfelt om nu mijn vragen bevredigend te antwoorden.
De tijd zal het leren zei mijn moeder vroeger, en ook in dit geval heeft ze de waarheid gesproken. Ja ik wil hier blijven slapen, ik wil graag bij je zijn. Ik sta op, eindelijk kan ik bewegen. Ik zucht diep en loop richting slaapkamer waar ik mijzelf ontdoe van de balast van die dag. Je komt bij me liggen strak tegen me aan. En weer heb ik het gevoel alsof alles goed zit, het gevoel wat ik al weken regelmatig heb. Het gevoel wat mij ertoe bracht vanavond op zoek te gaan naar duidelijkheid, naar antwoorden op mijn verlangende vragen. Het gevoel wat breekt nu ik geen antwoord heb op deze vragen en op het gevoel zelf. Diep van binnen moet ik lachen om de ironie dat veel jongens zich graag in mijn positie zouden willen stellen. Mogen genieten van alle deugden van een relatie, zonder zelf verwikkeld te raken in een ingewikkeld complot over gevoelens en rekening houden met. Maar dat is wat ik juist wil en besef maar weer eens dat ik niet standaard ben, en dat je juist daarvoor gevallen bent.
Heb je een hekel aan me vraag je. Nee zeg ik en diep van binnen is dat absoluut waar. Ik heb een hekel aan de situatie waarin wij verkeren, ik haat de onzekerheid die het me geeft en ik haat ook de vrijheid die het me aan de andere kant geeft. Ik kan geen hekel aan je hebben zeg ik erachter aan, waarom zou ik ook. Okay, zeg je ga je wel lekker slapen. Ja ik ga mijn best doen loog ik want ik wist allang dat dit me de hele nacht wakker gaat houden. Je kruipt nog dichter tegen mij aan, begint rustiger te ademen en met een schok val je in slaap.
Het is stil, doodstil op het zachte en rustige geadem van jou en het kloppen van mijn hart in mijn keel na. Ik staar naar het plafond en vindt mezelf een slappeling. Waarom heb je zoveel impact op mij, waarom kan ikzelf niet voor ons een keuze maken. Waarom wil ik alleen maar bij je in de buurt zijn, zoals ook jij bij mij wilt zijn. Waarom word ik met je wakker en ga ik met je naar bed ook al ben je niet in de buurt. Waarom voel ik mezelf nietig als ik bij je in de buurt ben, en waarom kan ik niet genieten van de tijd die we nu met elkaar hebben. De sarcastische antwoorden schieten door mijn hoofd en ik probeer te zoeken naar iets waar ik werkelijk iets aan heb. Je schokt weer en verlegt jezelf nog meer tegen mij aan.
Ik ga met mijn handen door je haar en kus je op je voorhoofd. Tranen springen in mijn ogen wetende dat het misschien ooit over gaat. Ik probeer te genieten van het moment. Ik hou van je zeg ik zachtjes en alsof je me kan horen en begrijpt druk je jezelf nog wat dichter tegen mij aan. Schreiend kijk ik weer naar het plafond en met een lange zucht zeg ik tegen iedereen die het maar horen wil,
En nu….. inderdaad lieverd en nu.